Kunst-Wet

Compositie in geëmailleerde keramische tegels

Ortem (1976)

Het werd eenvoudig opgevat, maar met een voldoende grote nauwkeurigheid, zodat het dankzij het overzichtelijke totaalbeeld met één blik in zijn geheel waargenomen kan worden. In eenzelfde compositie vinden we horizontale, verticale, schuine en gebogen lijnen, vierkanten, rechthoeken, driehoeken, cirkelsegmenten en zeven verschillende kleuren. De interpretatie van het kunstwerk is afhankelijk van de geestelijke ingesteldheid van de toeschouwer, die het als een vlak of in drie dimensies kan zien.
Het werk doet zich duidelijk gelden als een persoonlijke compositorische en koloristische uiting. «Ortem» is aangebracht boven een trap. Tijdens het dalen naar de perrons kan de kijker het kunstwerk met één blik omvatten, dankzij de heldere overzichtelijkheid van het totaalbeeld. Jean Rets wilde vooral dat zijn kunstwerk niet in de omgeving zou «verdwijnen», maar het moest integendeel opvallen.

Jean Rets (Parijs, 1910 – Antwerpen, 1998)

Jean Rets maakt deel uit van de «APIAW» (Association pour le Progrès Intellectuel et Artistique de la Wallonie), de Waalse tegenhanger van «Jeune Peinture Belge», die tot doel heeft de kunst in Wallonië open te stellen voor de eigentijdse internationale en progressieve stromingen. Al vóór de oorlog stond Rets open voor het kubisme. Vanaf de jaren vijftig ontwikkelde Jean Rets een persoonlijke vormentaal en een verfijnd kleurgebruik. Rets is vooral bekend door zijn niet-figuratieve geometrische opvatting, die hij een geraffineerde toets geeft, door zijn monumentale kunstwerken en door de integratie van de plastische kunsten in de architectuur. Hij was vooral actief in de streek rond Luik. Meer bepaald met een glasraam in het station van Guillemins en een kleurenstudie voor de staalfabriek van Thomas, Cockerill-Ougrée.
Jean Rets legt zich ook toe op sculpturen waarin het licht een structurerende rol speelt.

Bas-reliëf in gelakt hout Isjtar (1980)

Dit bas-reliëf wordt gedragen door twee cirkelmotieven op de zijmuren van de perrons en lijkt wel een triomfboog (vanwaar de titel «Isjtar», de godin die haar naam geeft aan een van de poorten van Babylon onder het bestuur van Nabuchodonosor). Hier ligt de tegenstelling in de open cirkels-vierkanten en de gesloten cirkels-vierkanten in twee tonen. De vijf elementen op het timpaan en de twee panelen op de zijwanden vormen een synthese van Gilbert Decocks beeldende taal. De ontwikkeling van de vijfdelige fries heeft Decock als volgt omschreven: «Het vierkant komt vanuit de diepte links achter de open cirkels vandaan, het komt beeld per beeld naar voren, tot het rechts een gesloten hoofdmotief wordt. Dit progressief op de voorgrond treden, biedt de continuïteit van een beeldverhaal. Toch wordt deze regelmaat (doelbewust) onderbroken door de sterk benadrukte open ruit.»

Gilbert Decock (Knokke, 1928)

Gilbert Decock behoort tot de kunstenaars die geboren zijn tussen de twee wereldoorlogen en gedurende de jaren ‘50 en ‘60 de constructivistische stroming met geometrische grondslag bezielden. De zoektocht naar een steeds grotere soberheid van de gebruikte middelen leidde tot het zwart-witte, het donkerbruine en tot de vierkante en cirkelvormige vormen die hij gebruikt om praktisch onuitputtelijke varianten te ontdekken. Zijn cirkel-vierkanttegenstelling is vergelijkbaar met de tegenstellingen mannelijk-vrouwelijk, dag-nacht of yin-yang. Zoals vele andere artiesten van zijn generatie was Gilbert Decock van mening dat de vermindering van kleur en vormen tot een grotere zeggingskracht kan leiden dan de barokke overdaad. Maar die vereenvoudiging wordt pas méér als deze het resultaat is van een proces, dat wordt geleid door grote kleurensensibiliteit en een sterk ontwikkeld gevoel voor vorm en verhouding.